Luit

Volgende

Luit De luit is een oud instrument. Rond 2000 voor Chr. waren er al instrumenten die leken op de luit. Ze kwamen over de hele wereld voor. Luiten konden verschillend van vorm zijn. Sommigen hadden een ronde achterkant, anderen een platte. In bepaalde delen van de wereld kwamen luiten met frets voor, in andere gebieden luiten zonder frets. Het aantal snaren kon variëren van tien tot twintig. De schroevenkast van de luit was helemaal achterovergebogen. Andere luitachtige instrumenten hadden rechte schroevenkasten of schroevenkasten die een beetje achterovergebogen waren. Vanaf de 15e eeuw werden luiten in Europa heel vaak gebruikt als begeleidingsinstrument. Links een plaatje van een luit. In de 16e eeuw werd ook nog een ander type luit ontwikkeld: de theorbo (basluit). Dit instrument had bassnaren die in aanvullende schroevenkasten waren vastgemaakt. Op deze manier had men niet één hele lange schroevenkast nodig.
In Rusland komt de balalaika voor. Dit is een luit met drie snaren en een driehoekige klankkast. De balalaika komt zowel als soloinstrument voor als begeleiding bij zang en dans, als in balalaika-orkesten.
Balalaika
CD Luit
  Sarabande
CD Theorbo
  Alessandro Piccinini - Chiaconna in Partite Variate
CD Balalaika
  Kalinka


Vorige

Lier

Volgende

Kithara Een ander oud tokkelinstrument is de lier. De lier bestond al rond het jaar 3000 v. Chr in Soemerië (ongeveer het huidige Irak). Het instrument bestaat uit een klankkast, twee armen en een dwarsbalk. De snaren lopen van de voorkant van de klankkast naar de dwarsbalk. Soemerische lieren hadden maximaal 11 snaren. Soemerische lieren werden vastgehouden met de dwarsbalk naar boven. Egyptische lieren werden met de dwarsbalk naar voren gehouden.
Ook in het oude Griekenland kwam de lier voor. Daar was het voornamelijk een amateurinstrument. Beroepsmuzikanten speelden op de kithara: een ingewikkelder instrument met een grotere klankkast. De Romeinen hebben dit instrument later overgenomen. Links een plaatje van een kithara.
Jouhikko In Europa zag men de lier omstreeks de Middeleeuwen. Het instrument werd vaak uit één stuk gebouwd. Europese lieren werden vaak gestreken, zoals bijvoorbeeld de crwth (uitgesproken als "kroeth", met de Engelse th-klank) uit Wales. Dit instrument werd tot het begin van de 19e eeuw gebruikt. In Scandinavië kwamen eveneens gestreken lieren voor zoals de kanteleharp uit Finland en de tallharpa (Zweeds) of jouhikko (Fins). In Afrika kwamen lieren, behalve in Egypte, ook in andere delen van het continent voor. In Ethiopië had men verschillende lieren: de aristocratie en de priesters gebruikten de bagana, het gewone volk de kerar. Links een plaatje van een jouhikko, rechts een kanteleharp. Kanteleharp


Vorige

Cister

Volgende

De cister is een snaarinstrument die omstreeks het begin van de 16e eeuw werd ontwikkeld. Het instrument had frets en metalen snaren en een platte achterkant. Tegen het begin van de 19e eeuw werd het instrument verdrongen door de gitaar. Net als bij de luit kunnen ook cisters twee schroevenkasten hebben. Deze kwamen echter maar weinig voor. De vorm van cisters kan verschillen. Er bestonden cisters waarbij de romp dezelfde vorm had als een luit, andere instrumenten waren wat meer peervormig. Omstreeks 1700 waren er ook liercisters: een combinatie van een lier en een cister. In Duitsland kwamen in de 16e eeuw cisters voor met een wel zeer ongebruikelijke vorm. Dat kun je op het plaatje hieronder zien. Rechts een cister met een normalere vorm.
Bas-cister
Cister


Vorige

Harp

Volgende

Harpen bestaan al een paar duizend jaar. De harp is een snaarinstrument waarvan de snaren in schuine richting van de klankkast naar de hals van het instrument lopen. Er zijn drie basisvormen: de boogharp, de hoekharp en de lijstharp. De boogharp zie je veel in Afrika en Oost-Azië, de hoekharp voornamelijk in Afrika en de lijstharp alleen in Europa. Hieronder een schematische voorstelling van de drie soorten harpen. Links: boogharp, midden: hoekharp, rechts: lijstharp.

Vormen harp Verschil harp en lier
Als je de schema's ziet, lijkt de harp veel op de lier. Er is echter een elementair verschil, wat betreft de bevestiging van de snaren. Het plaatje rechtsboven geeft het verschil weer. Bij de harp lopen de snaren in schuine richting van de klankkast naar de hals. De snaren van een lier lopen over de klankkast naar een dwarsbalk die door twee armen gesteund wordt.
De moderne orkestharp heeft een groot toonbereik: het grootste van alle orkestinstrumenten. Het instrument heeft 47 snaren. Om een snaar wat makkelijker te vinden zijn bepaalde snaren rood en blauw gekleurd. Aan de bovenkant van het instrument zitten de stemschroeven. Onder aan het instrument zitten zeven pedalen. Deze pedalen staan d.m.v. kabels in verbinding met de snaren. Ze kunnen in verschillende standen staan, en de snaren een halve of hele toon verhogen. Dat gebeurt door het gedeelte van de snaar dat kan trillen kleiner te maken. Zie voor de manier het plaatje rechts. Als het pedaal in positie A staat geven de snaar de laagste toon. In positie B wordt een deel van de snaar d.m.v. een schijfje klem gezet, zodat het niet meer kan trillen. De snaar wordt een halve toon hoger. Als het pedaal in positie C staat, wordt de snaar iets verderop met een tweede schijfje klem gezet. De snaar wordt nu nog een halve toon hoger. Pedalen harp


Vorige

Gitaar

Volgende

De gitaar heeft zijn oorsprong in Spanje. Daar kwam het instrument in de 13e eeuw al voor, maar het instrument is al veel ouder. Vanuit Spanje werd de gitaar over Europa verspreid, waar het de luit begon te verdringen, omdat de gitaar veel makkelijker te bespelen was.
De moderne gitaar heeft zes snaren. Het instrument is maar weinig veranderd sinds de 16e eeuw. De snaren worden gemaakt van metaal of nylon. Ze worden meestal getokkeld, hoewel soms ook wel van een plectrum gebruik gemaakt wordt om het geluid te versterken. Het geluid van de gitaar is bescheiden. Andere gitaarachtige instrumenten zijn de vihuela (hieronder), de liergitaar en de "wandelstok"gitaar. De vihuela kwam vooral voor in Spanje.


Harpgitaar
Vihuela
De liergitaar is een gitaar waarbij de romp de vorm van een lier heeft (plaatje rechts). De stemschroeven zitten dan op de plaats waar bij de lier de dwarsbalk zit. Het instrument had zes dubbele snaren: Een dubbele snaar bestaat uit twee snaren die dezelfde toon geven. De wandelstokgitaar had maar vier snaren en was meer een stuk speelgoed, net als de wandelstokviool.
De harpgitaar (links) heeft 20 snaren en ongeveer de vorm van een gitaar. Boven de 'gewone' toets (zie algemeen deel snaarinstrumenten) van het instrument zit nog een tweede toets waarover 6 bassnaren lopen. Op deze hals zitten geen fretten en de snaren worden getokkeld als bij een harp. Daarnaast zijn er zes centrale 'gitaar'-snaren die wel over fretten lopen en daaronder weer 8 snaren zonder fretten.
Tegenwoordig zie je veel elektrische gitaren. Elektrische instrumenten worden op een ander deel van de site behandeld.
Liergitaar
CD Gitaar
  Joaquín Rodrigo - Concierto de Aranjuez - Adagio

 

Vorige

Mandoline

Volgende

De mandoline en instrumenten die verwant aan de mandoline zijn, zie je vooral in Italië. Het instrument ontstond in de 17e eeuw. Je zag ze in kamermuziek of als solo-instrument bij strijkorkesten. O.a. Vivaldi heeft een aantal mandoline-concerten geschreven. Mandolines hebben altijd dubbele snaren: twee snaren die dezelfde toon geven. Het aantal dubbele snaren kan variëren van vier tot acht (dus acht tot 16 snaren). De achterkant van het instrument is rond.
Mandolines bestaan in verschillende groottes. De mandola is een mandoline die een octaaf (8 tonen) lager klinkt dan de gewone mandoline. De mando(lon)cello zit daar weer ongeveer een half octaaf onder.
Een combinatie van een gitaar en een mandoline is de mandolinetto. Hierbij is de vorm en de snaren gelijk aan die van de mandoline, maar het instrument heeft de platte achterkant van de gitaar.
CD Mandoline
  David Grisman & Jerry Garcia - Cajun Mandolin


Vorige

Ukulele & Banjo

Volgende

Banjo De ukulele (uitgesproken als 'joekoeléle', klemtoon op de 3e lettergreep) en de banjo zie je veel in jazzbands. De ukulele is een kleine gitaar met vier snaren die aan het eind van de 19e eeuw werd ontwikkeld door Portugezen op de Madeira-eilanden. Zij namen hem mee naar Hawaii en daar is het instrument vooral bekend geworden. In het begin stond het instrument nog bekend als de machete (Madeirese gitaar), maar na een paar jaar werd het ukulele. Deze naam verwijst naar de manier van bespelen van het instrument (tokkelen).
De banjo is ontwikkeld uit de luit. De romp is rond en het instrument heeft vier of vijf snaren. Als er een vijfde snaar aanwezig is, wordt die door de duim bediend. De banjo bestaat in drie groottes (van klein naar groot): tenorbanjo, langhalsbanjo en basbanjo.
Er bestaan ook een aantal 'bastaard'-instrumenten (combinaties van meerdere instrumenten). Dit kom je ook bij andere instrumenten tegen, bijv. de liergitaar (lier + gitaar) of de octavin (klarinet + saxofoon + fagot). De banjolele is een kleine banjo met snaren als die van de ukulele; de gitaarbanjo is een instrument met de rompvorm van de gitaar en de ronde schijf van de banjo. Hij heeft maar 3 snaren.
CD Banjo
   


Vorige

Citer

Citers zijn snaarinstrumenten waarbij de snaren over de hele lengte van de klankkast van het instrument lopen. De klankkast is uiteenlopend van vorm. In Afrika kom je de trogciter tegen. Dit instrument bestaat uit een uitgehold stuk hout met één snaar. Deze snaar gaat een aantal keer heen en weer over de trog. Bij de buisciter (komt o.a. voor in Oceanië) heeft de klankkast de vorm van een buis. Soms zijn de snaren uit de buis gesneden (hoewel je dan niet van echte snaren kunt spreken), soms worden ze er apart op bevestigd. De snaren lopen bij buisciters over twee kammen (kleine verhogingen op de buis). Een aantal buisciters bij elkaar samengebonden tot een vlot heet een vlotciter. Onder het instrument kan een aparte resonator zitten. De stokciter is een citer waarbij de snaar over een stok wordt gespannen. Er is een resonator aanwezig en het instrument heeft frets. In het Verre Oosten zie je citers waarbij de snaren over een licht gebogen plank lopen. Deze instrumenten hebben vaak verplaatsbare kammen en worden met een plectrum bespeeld.
In Europa komen twee vormen citers het meest voor: rechthoekig en in de vorm van een trapezium. De plank waarover de snaren lopen is plat of lichtgebogen en vormt de bovenkant van een resonansdoos. De belangrijkste citer in de Middeleeuwen was het psalterium, ontstaan uit een citer uit het Midden-Oosten. In de 18e en 19e eeuw kwamen minder gebruikelijke instrumenten voor. De aeolusharp had snaren die allemaal even lang waren, maar van verschillende diktes. Het instrument liet akkoorden horen als het op de tocht werd gezet. De aeolusharp werd in feite door de wind bespeeld. De naam van het instrument komt van de Griekse god Aeolus, de god van de wind. Het instrument was vooral populair van het begin van de 17e tot het eind van de 19e eeuw.
Het hakkebord was een plankciter die met hamertjes of stokken werd geslagen. Het hakkebord had de vorm van een trapezium. Over het ontstaan is weinig zekerheid. In de 12e eeuw moet het instrument al bestaan hebben in Midden-Oosten. Aan het begin van de 15e eeuw komt het hakkebord ook in Europa voor. Van de 17e tot de 19e eeuw was het erg populair in Europa. De moderne concertciter heeft metalen melodiesnaren en begeleidingssnaren die van darm worden gemaakt. De melodiesnaren lopen over frets. Ze worden getokkeld met een plectrum.