![]() |
De viola (of viola da gamba) was een voorganger
van de viool. Hij lijkt veel op de viool, maar er zijn
ook een aantal verschillen. De viola heeft zes dunne snaren, de viool vier
dikke; de klankgaten zijn verschillend van vorm; het achterblad van de viola
is plat, dat van de viool een beetje rond; de strijkstok van de viola is
breder dan die van de viool. Bovendien heeft de viola frets. Frets
zijn stukjes metaal op de toets, die precies aangeven waar de snaar moet
worden ingedrukt voor een bepaalde toon. De toets bevindt zich voor een
deel op de hals en voor een deel op de klankkast. Frets ziet je ook bij
gitaren. De viola geeft een rustige klank. Hij kan goed samen met blokfluiten
en menselijke stemmen. Er zijn veel verschillende viola's. De sopraan- en altviola zijn de twee kleinste viola's. Ze werden rechtop gehouden, op de knie van de speler. De grotere viola's zijn de tenor-, bas- en contrabasviola. De contrabasviola wordt ook wel violone genoemd. Uit de violone is later de contrabas ontwikkeld. De basviola werd veel in ensembles gebruikt, maar ook als solo-instrument kwam hij veel voor. Een ander type viola, de viola d'amore, was in de 18e erg populair. De viola d'amore had zgn. secundaire snaren: snaren die niet gestreken worden maar meetrillen tijdens het spelen. Basviola's hadden dat soort snaren ook. Een basviola met zes gestreken snaren kon soms tot 40 meetrillende snaren hebben. Links een plaatje van een basviola. |
| Een andere voorganger van
de viool is de vedel. De vedel kwam in verschillende vormen en afmetingen
voor in Afrika, Azië en Europa. Er zijn twee basisvormen: de spike-vedel
met een lange hals en de korthalsvedel. De hals van de spike-vedel doorboort
de romp en komt er aan de andere kant weer uit. Het instrument wordt verticaal
vastgehouden en rust op de knie. De korthalsvedel wordt ongeveer horizontaal
gehouden en rust tegen de borst, schouder of hals van de speler. De strijkstokken
zijn verschillend. Heel vroeger waren ze gebogen, aan het eind van de Middeleeuwen
waren ze recht, zoals de strijkstok van de viool. Het aantal snaren kan
ook verschillen. Sommige vedels hebben er maar één of twee, anderen hebben
3 of 4 gestreken snaren plus eventueel een aantal meetrillende snaren. Uit de vedel ontwikkelde zich de lira da braccio (rechts) en de lira da gamba. Deze instrumenten lijken veel op de moderne viool. De lira da braccio werd tegen de linkerschouder gehouden, de grotere lira da gamba tussen de knieën van de speler. De lira da braccio heeft vijf gewone snaren en twee basssnaren. Bij de lira da gamba kan het aantal gewone snaren oplopen tot vijftien. Weer een ander strijkinstrument was de rebec. Dit instrument had een kleine, peervormige romp met een rond achterblad en een korte hals. De romp werd uit één stuk hout gemaakt. Vooral in de Middeleeuwen en de Renaissance was dit instrument erg populair. Hieronder een rebec. ![]() |
![]() |
![]() |
Uit de instrumenten die hierboven zijn beschreven is de viool ontstaan,
in de 16e eeuw. Het instrument is weinig veranderd in de loop van de tijd. Het heeft vier
snaren, klankgaten in de vorm van een f en stemschroeven aan de zijkant. In tegenstelling
tot de viola heeft de viool geen frets. Een bekende vioolbouwer was Stradivarius
(1644 -1737). Hij heeft meer dan duizend violen, altviolen en cello's gemaakt. Enkelen
daarvan bestaan nog. Hoe ziet de viool eruit? Zie het plaatje links. Bovenaan bij cijfer 1 bevindt zich de krul. Die zit er alleen maar voor de sier. Bij cijfer 2 de stemschroeven. Zie het stuk snaarinstrumenten algemeen. Het kielhoutje (3) is een verhoging op de bovenkant van de toets (4) en zorgt ervoor dat de snaren de toets niet raken. De toets bevindt zich voor een deel op de hals (5) en voor een deel op de klankkast (6). De snaren worden op de toets gedrukt om de toonhoogte te regelen. De klankkast zorgt voor versterking van het geluid. De trillingen gaan via de kam (7) naar de klankkast. Aan het staartstuk (8) worden de snaren vastgemaakt. Op plaats 9 zit de kinhouder (op het plaatje niet te zien). Een belangrijk onderdeel van de viool is de strijkstok. De strijkstok wordt in een apart stukje behandeld. Violen worden in verschillende afmetingen gebouwd. De meest gangbare is de hele of 4/4 viool. Een overzicht van de verschillende typen:
|
De strijkstok heeft een hele ontwikkeling doorgemaakt. Bij de
primitieve strijkinstrumenten had de strijkstok de vorm van een boog. Latere strijkstokken
waren rechter. Tegenwoordig is de strijkstok naar binnen gebogen en is hij langer en
buigzamer dan vroeger. De strijkstok ziet er als volgt uit:
![]()
Helemaal links zit de punt. Bij cijfer 2 de stok die van hout
gemaakt wordt. Cijfer 3 is de paardehaar, die over de snaren gaat. Het andere uiteinde (4)
heet de slof, en bij 5 zit een schroefje.
De lengte van de strijkstok is verschillend. Over het algemeen geldt: hoe groter het
strijkinstrument, hoe kleiner de strijkstok. De strijkstok van de viool is ongeveer 75 cm
lang, die van de contrabas 68 cm.
Er zijn verschillende manieren van strijken. De gewone manier is het op en neer strijken:
van de slof tot aan de punt over de snaar en weer terug. Soms wordt elke streek met kracht
los gelaten, of laat men de stok op de snaren springen. Een ander effect is pizzicato.
Hierbij worden de snaren getokkeld met de vingers.
De altviool ziet er precies hetzelfde uit als de viool, maar is iets groter (ong 8 cm langer). Een tijd lang werd de altviool veel minder als solo-instrument gebruikt dan de viool, omdat de viool makkelijker te bespelen was. Vanaf het einde van de 18e eeuw kreeg het instrument een grotere rol in het orkest.
De cello is een stuk groter dan de (alt)viool. Het instrument wordt rechtop tussen de benen van de speler gehouden, en rust met een pin op de grond. De bouw is hetzelfde. De cello is ontstaan uit de tenorviola en een tijd lang bestonden ze naast elkaar. Na 1750 zijn de viola's verdwenen omdat ze minder sterk konden spelen, en daardoor kreeg de cello een grotere rol. Het instrument heeft veel mogelijkheden, zowel als solo-instrument als bij begeleiding.
| Cello | |
| Apocalyptica - Nothing Else Matters |
![]() |
Uit de violone (contrabasvedel) is de contrabas ontstaan. Het is het grootste lid van de vioolfamilie. Contrabassen hebben vier of vijf snaren. Afgezien van de grootte (ong. 1,80 m) is ziet de contrabas er hetzelfde uit als de anderen. Door de grootte moet het instrument staand bespeeld worden, of de speler moet op een kruk zitten. Een klein verschil met de (alt)viool en cello zijn de schouders (bovenkant) van het instrument. De viool, altviool en cello hebben ronde schouders, de contrabas afhangende schouders. |
In de 16e eeuw kwam nog een ander type viool voor,
ontwikkeld uit de rebec. Het was een hele kleine viool, dat makkelijk
in de zak kon worden meegedragen. Het was zeer geliefd bij dansmeesters en daarom wordt het
instrument ook wel een dansmeesterviooltje genoemd. De dansmeester gebruikte het om
muziek te maken bij zijn lessen.
Een ander type viool dat ook draagbaar was, was de wandelstokviool. Zoals de naam
al zegt: een viool in de vorm van een wandelstok. Het handvat van de wandelstok werd
gebruikt als kinhouder tijdens het spelen. Het was meer een stuk speelgoed dan een
muziekinstrument van serieuze betekenis.