Het carillon is een mechanisch klokkenspel. De klokken van een carillon zijn gestemd, d.w.z. elke klok geeft een duidelijk definieerbare toon. Het carillon is in de 13e eeuw in Noord-Europa ontstaan, en je vindt ze in torens. De klokken kunnen op verschillende manieren worden aangeslagen: door een inwendige klepel, een hamer aan de buitenkant of een combinatie van beide. Het carillon kan op verschillende manieren bediend worden: door direct aan de touwen te trekken die aan de klepels zitten bevestigd, of door een soort toetsmechanisme, waarbij de touwen aan hefbomen zijn bevestigd. Deze hefbomen zijn gerangschikt als de noten op een orgelklavier. Er kunnen zowel manualen voor de handen als pedalen voor de voeten aanwezig zijn.
| Carillon | |
| Peter Tchaikovsky - Russische dans uit de Notenkrakersuite - Gespeeld op het carillon van de Westertoren van Amsterdam |
In de 19e en het begin van de 20e
eeuw werden verschillende soorten automatische piano's gebouwd. Een voorbeeld van een
automatische piano is de pianola. In een pianola zit een cilinder met een pianorol. In
deze rol zitten op bepaalde plaatsen gaten met een verschillende grootte, die overeenkomen
met bepaalde tonen. Door deze gaten gaat, via de cilinder, lucht naar pijpen die verbonden
zijn met het pianomechanisme. Deze lucht zorgt ervoor dat de hamers tegen de pianosnaren
slaan. Op de rol kunnen meerdere melodieën staan.
Een andere vorm van een automatische piano is de pianospeler. De pianospeler
werkt op dezelfde manier als de pianola. De pianospeler wordt echter voor de
piano geplaatst. Hamertjes springen uit de achterkant van het instrument en
drukken de pianotoetsen in.
Het draaiorgel is een mechanisch orgel. Een draaiorgel bestaat globaal uit
een balg, een trommel en een aantal orgelpijpen. De aandrijving gebeurt meestal
door met de hand aan een handel te draaien. Bij andere mechanische orgels dan
het draaiorgel kan het ook door elektriciteit of stoom. Kleine stoomorgels zag
je aan het eind van de 19e eeuw. Deze stoomorgels stonden op een
lage wagen en werden door een paard voortgetrokken.
Het draaien aan de handel van het draaiorgel zorgt ervoor dat er lucht in de
balg wordt gepompt. Deze lucht komt in een soort windkamer onder de pijpen terecht.
Het draaien brengt ook een trommel in beweging. Deze trommel heeft dezelfde
functie als de cilinder met pianorol van de pianola. De trommel brengt hefbomen
in beweging. Deze hefbomen zorgen ervoor dat kleppen onder de orgelpijpen open
gaan en er lucht door de pijpen kan stromen.
| Draaiorgel | |
| Sous le ciel de Paris |
De speeldoos is aan het einde van de 18e eeuw ontstaan in Zwitserland. De eerste speeldozen hadden cilinders met pennen die een melodie tokkelen als de cilinder ronddraait. In een speeldoos kunnen metalen tongen of klokjes zitten waartegen getokkeld wordt. Later werden de cilinders vervangen door schijven. Deze schijven kon men, in tegenstelling tot de cilinders, verwisselen. Speeldozen kwamen in verschillende vormen voor. In de eerste plaats natuurlijk in de doosvorm, vandaar de naam. Wat grotere speeldozen waren aan het eind van de 19e eeuw te zien in bars en cafés. Door een munt in een gleuf te doen speelde ze een melodie. Een andere vorm van de speeldoos is de zingende vogel. Bij de zingende vogel bewoog de vogel zijn kop en bek op het vogelgezang, dat onderin de vogelkooi door een mechanisme werd geproduceerd.
Van een aantal traditionele instrumenten bestaan er al heel
lang mechanische varianten. In de Middeleeuwen kende men de draailier.
Dat was geen lier maar een mechanische viool. Bij de draailier liet men de snaren
trillen door aan een handel te draaien. Door middel van toetsen werden de snaren
afgestopt om zo de toonhoogte te bepalen. Hieronder een draailier:

| Op ongeveer dezelfde manier
werkte het Geigenwerk, een mechanisch klavecimbel
uit de 16e eeuw. Ook hier gingen de snaren trillen door aan een
handel te draaien. Door toetsen werd de toonhoogte bepaald. De automatische viool was een viool in een soort kast. Boven deze viool zaten allemaal kleine strijkstokken die de snaren konden laten trillen. Het stoppen van het trillen gebeurde door een stukje metaal dat tegen de snaar werd gedrukt. Meer ingewikkelde vormen van automatische instrumenten waren 'installaties' waarin meerdere instrumenten zaten die automatisch bespeeld werden. Men kon dan voor een bepaald instrument kiezen. Het orchestrion (rechts) was een vorm van een automatisch orgel. Net als bij een gewoon orgel zaten er in het orchestrion orgelpijpen. Deze werden in werking gesteld door cilinders met pennen of geperforeerde rollen. In Duitsland kwam je ze in verschillende vormen tegen. In het begin van de 20e eeuw kwamen de zelfspelende xylofoon en de automatische harp voor. De xylofoon werkte met een cilinder met pennen, de harp met een muziekrol. |
![]() |