Mondorgels zie je zowel in oosterse als westerse landen. Oosterse mondorgels
bestaan al een paar duizend jaar, westerse mondorgels ongeveer twee eeuwen.
Mondorgels met een klavier zie je alleen in het westen. Het oosterse mondorgel
heeft, afgezien van het ontbreken van een klavier veel overeenkomsten met een
orgel. Hij bestaat uit een aantal pijpen met in elke pijp een tong en een gat
dat door een vinger bedekt kan worden. Als de speler het gat bedekt wordt de
lucht gedwongen langs de tong te gaan. De tong gaat trillen en er ontstaat geluid.
Voorbeelden van westerse mondorgels zijn de harmonica en de melodica.
De harmonica heeft een aantal windkasten waarin rieten zitten. Door te blazen
of te zuigen worden de tongen in beweging gebracht. De melodica is een instrument
dat familie is van de harmonica. Het is populair bij kinderen. Hieronder links
een trompetharmonica uit het begin van de 20e eeuw. Dit instrument
is gemaakt om speciale effecten te krijgen. Rechts een melodica.


| Harmonica | |
| Thema uit de TV-serie 'Baantjer' |
![]() |
De accordeon bestaat uit een balg met klavieren aan het uiteinde.
Het ene klavier is een klavier met pianotoetsen, de andere heeft ronde knoppen.
Door het indrukken en uittrekken van de balg gaat er lucht over de rieten
en ontstaat er geluid. Het pianoklavier zorgt voor de melodie, het andere
zorgt voor bastonen. Vaak zijn er melodie- en basregisters aanwezig. Deze
registers veranderen de toonkwaliteit. De concertina lijkt op de accordeon. Het instrument heeft de vorm van een zeshoek. Ze worden vaak in massaproductie vervaardigd. ![]() |
Een belangrijk persoon met betrekking tot de concertina is Charles Wheatstone
(1802-1875). Hij bedacht het symphonium, een soort mondorgel. Het symphonium
bestond uit een metalen doos met aan de zijkanten vingerknoppen en aan de voorkant
een mondgat. In het instrument zaten tongen die voor het geluid moesten zorgen.
Door het aanbrengen van een balg op de symphonium ontstond later de concertina.
De melodeon werd vroeger ook wel een schootorgel genoemd. Bij dit instrument
hoor je verschillende tonen als je dezelfde knop indrukt en de balg indrukt
of uittrekt. Een melodeon heeft aan beide kanten knoppen, en geen toetsen zoals
bij een accordeon.
Een ander instrument dat veel op de accordeon / concertina lijkt is de bandoneon.
Het instrument heeft meer knoppen dan de concertina, en werkt op dezelfde manier
als de melodeon: uittrekken en induwen van de balg leveren verschillende tonen
op. De uitvinder van de bandoneon is de Duitser Heinrich Band. In het begin
werd het instrument dan ook bandonion genoemd: een samentrekking van
de naam Band en het Duitse woord accordion. In het begin (2e helft
19e eeuw) was het instrument niet zo populair, doordat het erg moeilijk te bespelen
was. In tegenstelling tot de melodeon, zijn de knopen van de bandoneon niet
systematisch geplaatst, maar op zo'n manier dat veel voorkomende akkoorden gemakkelijk
gespeeld kunnen worden.
![]() |
De populariteit nam snel toe toen het instrument werd gebruikt in de tangomuziek in Zuid-Amerika. Het instrument kreeg uiteindelijk 71 knoppen (ter vergelijking: de concertina had er maar 28) en daarmee konden 142 tonen gespeeld worden. In deze tijd werd ook de naam van het instrument verspaanst, en daardoor staat het nu bekend als de bandoneon. Bandoneons worden tegenwoordig in drie afmetingen gebouwd: piccolo, normaal en bas. |
| Accordeon | |
| Danny Malando - Olé Guapa |
| Bandoneon | |
| Carel Kraayenhof - Adios Nonino |
Het harmonium is halverwege de 19e eeuw in Frankrijk ontstaan. Het is familie van het mondorgel en de concertina. Het instrument heeft één manuaal en twee pedalen. Net als het mondorgel en de concertina heeft het instrument rieten. Het harmonium heeft twee balgen die via de pedalen worden bediend. De hoogte van de toon wordt bepaald door de lengte van de rieten, die met de toetsen van het manuaal in verbinding staan. Een harmonium kan meerdere registers hebben (zie ook het orgel). Je zou het harmonium een soort huisorgel kunnen noemen.
Het orgel is één van de oudste instrumenten. De oorsprong
van het orgel ligt in de panfluit. Allebei de instrumenten bestaan uit een aantal pijpen.
Bij de panfluit komt de lucht uit de mond van de speler. Bij het orgel gaat het via een
balg, net als bij een accordeon. Het eerste echte orgel is ontstaan in de 3e
eeuw v. Chr. De orgels uit deze tijd hadden balgen die met de hand of de voet bediend
werden. Om tonen te kunnen maken maakte men gebruik van schuiven. In een schuif zat een
gat. Door de schuif uit te trekken kwam het gat op één lijn met de orgelpijp, en kon er
lucht uit de windkast de pijp in. Om een toon te stoppen duwde men de schuif weer in. Uit
deze schuiven zijn later de toetsen van een orgel ontwikkeld.
Naast de grote orgels kwamen vroeger ook nog het positief, portatief en
het bijbelregaal voor. Dit waren kleine orgels. Het positief werd door één
persoon bespeeld, terwijl de tweede de balg bediende. Het portatief werd door één
persoon bespeeld: de linkerhand bediende de balg, de rechter de toetsen. Het bijbelregaal
had de vorm van een boek en kon na gebruik worden opgevouwen.
Het orgel is een vrij ingewikkeld instrument. Ik zal stuk voor stuk alle onderdelen
bespreken.
|
Pijpen: Er bestaan drie verschillende soorten pijpen (zie afbeelding rechts): a. Open lippijpen b. Gedekte lippijpen c. Tongpijpen Lippijpen worden ook wel labiaalpijpen genoemd. Lippijpen lopen aan de onderkant taps toe. Dit gedeelte wordt het onderlabium genoemd. Het onderlabium is boven afgesloten door een plaatje met een spleet erin. Het deel boven de spleet heet het bovenlabium. In het bovenlabium wordt de lucht die van onderen komt verdeeld. Een deel gaat naar buiten, een ander deel gaat in de pijp trillen en zorgt voor een toon. De tongpijp ziet er anders uit en geeft ook een andere toon. Tongpijpen hebben ook een onderlabium. Dit is aan de bovenkant helemaal dicht. Hierin zit een verticale opening, waarin aan de onderkant een pijp zit. Aan de pijp zit de tong. De tong gaat trillen door de lucht die uit de onderkant komt en er ontstaat een toon die versterkt wordt door de beker. De toon kan beïnvloed worden door een stemkruk. Dit is een metalen draad die de tong op een bepaalde plaats tegen de pijp aandrukt. Zie het detailplaatje van de tongpijp rechts. |
![]() ![]() |
De labiaalpijpen kunnen open, halfgedekt en gedekt zijn. Deze termen slaan
op de bovenkant van de pijp. Daar zit een deksel: de hoed. Een open pijp geeft
een toon die een octaaf (8 tonen) hoger ligt dan een gedekte pijp van dezelfde
lengte. Bij de halfgedekte pijp zit in de hoed een buisje: het roer.
De tongpijpen zijn open of halfgedekt. Ze zijn nooit gedekt omdat anders de
ingeblazen lucht niet wegkan. Zie ook het plaatje boven.
Het verschil in het soort pijp, lengte, doorsnede en materiaal komt tot uiting
in de klank die het geeft. Gedekte pijpen geven een klank die zich gemakkelijk
versmelt met die van andere registers. Open pijpen geven een krachtige klank
die ver draagt en duidelijk herkenbaar is. Tongpijpen hebben vergeleken met
de labiaalpijpen een helder, doordringend geluid.
Een rij in toonhoogte verschillende pijpen met dezelfde soort klank wordt een
register genoemd. Een register kan worden vergeleken met een bepaald
muziekinstrument. De registers hebben allemaal een eigen functie. Bepaalde registers
kunnen zelfstandig gebruikt worden, anderen dienen ter aanvulling.
Windlade:
De orgelpijpen staan op de windlade: een houten kist die een centrale plaats
in het orgel inneemt. De kist is in vakken verdeeld. Het aantal vakken komt
overeen met het aantal toetsen op de manualen. Aan de onderkant van elk vak
zit een opening voor het speelventiel dat in verbinding staat met een toets
van een manuaal of pedaal. Aan de bovenkant zitten ook openingen. Het aantal
komt overeen met het aantal registers. Op deze openingen staan de pijpstokken,
waarop afhankelijk van het register één of meer orgelpijpen komen te staan.
Windvoorziening:
De lucht die via de windlade naar de orgelpijpen gaat komt uit de windvoorziening.
Vroeger waren dit een aantal blaasbalgen die met de hand of de voet bediend
werden. Tegenwoordig gaat het met een elektrische ventilator.
Tractuur:
De tractuur is de verbinding tussen de manualen, het pedaal en de registerknoppen
aan de ene kant en de windlade aan de andere kant. Vroeger ging dit allemaal
mechanisch. d.m.v. stangen e.d. Aan het eind van de 19e eeuw werd de pneumatische
tractuur ontwikkeld. Hierbij werd gebruik gemaakt van een buizenstelsel dat
de speelventielen pneumatisch van lucht voorzag. Tegenwoordig kan het ook elektrisch.
Dit heeft als voordeel dat de speeltafel op grotere afstand van de orgelkas
geplaatst kan worden.
Klaviatuur:
De klaviatuur omvat de manualen (klavier), het pedaal en de registerknoppen.
Vroeger had het orgel maar één manuaal, later werden het er drie of vier, of
soms zelfs vijf. De toonomvang van de manualen is in de loop van de tijd ook
uitgebreid. Het pedaal had vroeger een hulpfunctie, later kreeg het een aantal
eigen stemmen. Vanaf de 15e eeuw zijn de manualen en het pedaal gekoppeld. Het
voordeel hiervan is dat het laten samenklinken van tonen makkelijker wordt.
De registers worden in werking gesteld door knoppen uit te trekken (of soms
in te duwen). Elk manuaal heeft zijn eigen groep registers.
Opstelling:
De pijpen worden in verschillende kassen opgesteld, die elk een eigen naam hebben.
Het grote orgel (hoofdwerk) staat in het midden, en wordt bediend door
een apart manuaal. Aan weerszijden staan pedaaltorens. Hierin staan de pijpen
die door de pedalen bediend worden. Vanaf de 18e eeuw is er ook een zwelkast
aanwezig. Hiermee kunnen tonen geleidelijk in sterkte toenemen of afnemen. Boven
het hoofdwerk staan weer andere pijpen die het bovenwerk genoemd worden.
Eronder en boven de klaviatuur het borstwerk. Soms staan er achter de
organist ook nog pijpen en die worden dan het rugwerk genoemd.
| Orgel | |
| J.S. Bach - Toccata en Fuga in d mineur |