![]() |
De dwarsfluit is al erg oud.
De oorsprong ligt in Azië waar ze al in de 9e eeuw v. Chr. voorkwamen.
Vanaf de 12e eeuw begon het instrument zich over Europa te verspreiden.
In het begin werd de dwarsfluit alleen in de militaire muziek gebruikt,
maar halverwege de 17e eeuw kwam hij ook voor in de opera en
het hoforkest. Vanaf eind 17e, begin 18e eeuw kwamen
er dwarsfluiten met kleppen. Vanaf die tijd bestond het instrument uit 3
delen. In de 19e eeuw werd de dwarsfluit erg veranderd door Theobald
Böhm. Hij begon met het plaatsen van gaten waar ze de beste klank op zouden
leveren, ongeacht of ze bereikbaar waren voor de vingers. Daardoor moest
het kleppensysteem erg veranderd worden. In deze tijd begon men met het maken van metalen fluiten. De klank van de dwarsfluit is rond. Een speciaal klankeffect dat bij de dwarsfluit voorkomt is de zgn. "Flatterzunge". Om dit effect te krijgen moet de speler tijdens het blazen een rollende R laten klinken. Dit effect komt vooral in moderne muziek voor. In oude muziek wordt tegenwoordig ook gebruik gemaakt van de flauto traverso, een oude dwarsfluit zonder kleppen. Het geluid van de flauto traverso is zachter en doffer dan die van de moderne fluit. Naast de gewone dwarsfluit komen ook nog de piccolo, altfluit en basfluit
voor. De piccolo wordt voornamelijk van hout gemaakt en klinkt een octaaf
hoger dan de gewone dwarsfluit. De klank is scherp en doordringend en
kan makkelijk boven een heel orkest uitkomen. De altfluit en basfluit
zijn groter dan de dwarsfluit. De altfluit was al in de 18e
eeuw bekend, maar het werd maar weinig gebruikt. Dat geldt ook voor de
basdwarsfluit. Het geluid van de alt- en basdwarsfluit is zacht en rond.
Hieronder een afbeelding van een piccolo, rechts een basdwarsfluit. |
| Fluit | |
| Melvin Lauf Junior - Misty Mountains - Deel 2 |
| Piccolo | |
| John Philip Sousa - Stars and Stripes Forever |
Een ander soort fluit is de blokfluit. De blokfluit is een zgn. bekfluit.
Bekfluiten zijn rechte fluiten waarin de lucht door het mondstuk wordt gericht
tegen de scherpe rand van een gat. Dat gat zit in de blokfluit net onder het
mondstuk.
De blokfluit is een echt houten instrument. De meeste houten blaasinstrumenten
hebben wel metaal in het instrument zitten. In tegenstelling tot de andere houten
blaasinstrumenten hebben de meeste blokfluiten geen kleppen. Alleen de grotere
blokfluiten hebben een paar kleppen om de laagste tonen te kunnen spelen. Blokfluiten
zijn er al erg lang. In de oudheid kwam hij al voor in Egypte en Griekenland.
In de Middeleeuwen zie je hem ook in Europa. Rond 1750 verdwijnt hij, en wordt
z'n plaats ingenomen door de dwarsfluit. In de 20e eeuw zie je echter
weer een opleving in het gebruik van het instrument.
De blokfluit heeft z'n naam gekregen van het zgn. blokje dat in het mondstuk
zit. Door dit blokje wordt de lucht gedwongen om door de kernspleet te
gaan. Dan komt de lucht bij het labium. Daar gaat de lucht voor een deel
naar buiten, de rest gaat trillen in het instrument, en er ontstaat geluid.
Er zijn acht gaten om de toonhoogte te regelen, 7 aan de voorkant en 1 aan de
achterkant (het duimgat). Het kan gebeuren dat een gat half bedekt moet worden.
Om dat wat makkelijker te maken, worden er soms op één plaats 2 kleinere gaten
vlak naast elkaar geboord. In plaats van een groot gat half te bedekken, wordt
er 1 van de twee kleinere gaten bedekt. De klank van kleine blokfluiten is doordringend
en hoog. De grotere blokfluiten geven een wat zachter geluid.
Panfluiten bestaan uit een aantal buizen van verschillende lengte, die zijn samengevoegd. De buizen hebben geen gaten voor de vingers. De onderkant is dicht. Door over de bovenkant van de buizen te blazen ontstaat er geluid. Panfluiten zijn al meer dan 2000 jaar oud. De naam 'panfluit' komt uit de Griekse mythologie. Pan was een god die verliefd werd op een nimf. De nimf vluchtte echter, en een andere god die haar beschermde veranderde haar in een stuk riet, zodat Pan haar niet zou kunnen vinden. Pan gebruikte dit stuk riet echter om een 'syrinx' (panfluit) te maken. Hij speelde hierop om zich te troosten.
![]()
Een ander type bekfluit (zie blokfluit) is de flageolet.
Het instrument was erg populair in Engeland en Frankrijk, van de 17e
tot de 19e eeuw. Hij lijkt een beetje op de blokfluit. Een verschil
met de blokfluit ontstond in de 18e eeuw toen het mondstuk werd vervangen
door een tuit van been of ivoor. De flageolet was voornamelijk een solo-instrument.
In orkesten / bands werd hij vaak gebruikt om de hoogste partij te spelen. Er
waren twee basistypen: de Engelse flageolet met zes vingergaten, en de Franse
met vier vingergaten en twee gaten voor de duimen. Hierboven een plaatje van
een flageolet met twee pijpen (dubbele flageolet). Naast de dubbele kwam ook
de enkele en de drievoudige flageolet voor.
Een ander type fluit, dat je vooral in militaire muziek en in optochten veel
ziet, is de pijpersfluit. Een pijpersfluit is een kleine dwarsfluit,
en gemaakt uit één stuk. Soms heeft het instrument een klep. Rond 1850 is het
instrument in de meeste landen vervangen door een piccolo.
|
|
![]() |
Fluiten zie je in alle vormen en maten over de hele wereld. De
belangrijkste instrumenten heb ik hierboven besproken. In dit stukje wil ik nog een
aantal andere fluiten noemen. De ocarina is een bolvormige fluit die tot acht vingergaten kan hebben. Het mondgat zit aan de zijkant. Het instrument werd in de 19e eeuw uitgevonden en het kwam in het begin van de 20e eeuw in ensembles voor. Hiernaast een ocarina. Vooral in Polynesië zie je de neusfluit: een type fluit die wordt bespeeld met adem uit de neusgaten. Er bestaan zowel rechte als dwars-neusfluiten. In bepaalde delen van Europa kwam de eenhandsfluit voor. Dit instrument werd bespeeld in combinatie met een tabor, een trom die met één stok werd bespeeld. De tin whistle (ook wel pennywhistle of kortweg whistle genoemd) is een Ierse volksfluit met zes gaten, zonder kleppen. Het instrument komt in verschillende groottes voor. Hieronder een tin whistle. |
| Ocarina | |
| Antonio Vivaldi - De Vier Jaargetijden |
| Eenhandsfluit en tabor |