| Schalmei & Kromhoorn |
![]() |
Schalmeien waren instrumenten met
een dubbelriet (zie hobo) die overal in Europa, Azië
en delen van Afrika voorkwamen. Het instrument is ontstaan in het Midden-Oosten,
rond 800 na Chr. Tijdens de Kruistochten kwamen Europeanen in contact met
het instrument. Schalmeien waren een onderdeel van militaire orkesten van
de Saracenen, die in die tijd Palestina bezet hielden. De schalmei gaf een harde toon en werd vooral buiten bespeeld. In Europa was de schalmei in de Middeleeuwen de belangrijkste van de dubbelrietinstrumenten. De meest voorkomende schalmeien waren de sopraan (waaruit later de hobo zou ontstaan), de alt en de tenor. Andere dubbelrietinstrumenten uit deze tijd waren o.a. de kromhoorn, de rauschpfeife (Duitsland) en de dulcian (voorloper van de fagot). Schalmeien komen ook nu nog voor. Tegenwoordig zijn het echter metalen instrumenten, die niets meer met de Middeleeuwse instrumenten te maken hebben. |
|
![]() |
Veel van deze instrumenten hadden een windkap
om het riet te beschermen. Zie schema links. De speler blies door een kleine
opening om het riet te laten trillen. Helemaal links een afbeelding van een sopraanschalmei, onder een kromhoorn. Kromhoorns kwamen in verschillende afmetingen voor. Ze waren vooral populair op het vasteland van Europa, met name in Duitsland, Italië en Nederland. Muziekstukken uit die tijd die speciaal voor kromhoorns geschreven zijn, zijn bewaard gebleven. Kromhoorns hadden maar een beperkt toonbereik. Om hogere tonen te kunnen spelen werd de windkap soms weggehaald. Op moderne replica's van kromhoorns zitten kleppen om het toonbereik wat te vergroten. Kromhoorns werden in alle soorten muziek gebruikt: van kerkmuziek tot dansmuziek. De schalmei en de kromhoorn zijn later verdrongen door de hobo en de fagot. ![]() |
|
| Een instrument dat veel op de kromhoorn lijkt
is de cornamuse. In tegenstelling tot de kromhoorn is dit instrument
recht. Bovendien is het instrument aan het eind dicht gemaakt. Bij de meeste
blaasinstrumenten is de onderkant van het instrument open, maar bij de cornamuse
is dat niet zo. De lucht kan daardoor alleen door de vingergaten naar buiten.
Daardoor klinkt het instrument een stuk minder hard dan de kromhoorn. De kortholt is een klein instrument, dat veel lager klinkt dan je zou denken als je het instrument ziet. De buis in het instrument waar de lucht doorheen gaat heeft namelijk een U-vorm. Daardoor is het instrument eigenlijk twee keer zo lang. Zo'n soort constructie vind je ook bij de ranket. |
||
| Schalmei | |
| Bas kromhoorn |
| Hoboachtige instrumenten bestaan
al enkele duizenden jaren. Tegen het einde van de Middeleeuwen duiken ze
ook in Europa op. De hobo is in de 17e eeuw ontstaan uit de schalmei.
In deze tijd was er namelijk vraag naar een schalmei-achtig instrument om
binnenshuis te gebruiken (schalmeien waren ontworpen om buiten op te spelen).
Later kreeg de hobo enkele kleppen maar het duurde nog tot het eind van
de 19e eeuw voordat de hobo zijn uiterlijk krijgt zoals we die
nu kennen. De klank van de hobo is doordringend en nasaal. De eerste hobo's
werden waarschijnlijk gemaakt door de Franse familie Hotteterre. Deze familie
van instrumentmakers maakten meerdere houten blaasinstrumenten: (blok)fluiten,
fagotten en ook hobo's. De eerste hobo's werden gebruikt door musici aan
het hof van Lodewijk XIV. Belangrijk bij de hobo is het zogenaamde dubbelriet. Zie de afbeelding hieronder: |
![]() |
|||
![]() |
Een kort stukje gedroogd bamboe wordt in drieën gesplitst (a); vervolgens wordt één stukje op de juiste afmetingen gesneden, en dubbel gebogen (b); daarna worden ze op een metalen stop gebonden (c); tenslotte wordt de top erafgesneden. De afzonderlijke bladen worden dan geschraapt tot ze heel erg dun zijn, zodat ze kunnen trillen (d). | |||
| In de 18e eeuw ontstonden hobo's
van verschillende afmetingen, o.a. de althobo. Deze is groter en heeft in
tegenstelling tot de hobo een peervormig uiteinde. De althobo wordt ook wel Engelse hoorn genoemd, hoewel het instrument niets met de hoorn te maken heeft. Het heeft een droefgeestige klank en onderscheidt zich duidelijk van die van andere instrumenten. Helemaal links een afbeelding van een hobo, daarnaast een althobo. Minder bekende hobotypen zijn de oboe d'amore, oboe da caccia en baritonhobo. De oboe d'amore is een kruising tussen de hobo en de althobo. De oboe da caccia is waarschijnlijk de voorouder van de althobo. In muziek van de componist Bach komen deze instrumenten af en toe voor. De baritonhobo klinkt één octaaf lager dan de hobo. Hij wordt nauwelijks gebruikt. Een instrument dat erg verwant is aan de hobo is de heckelfoon, uitgevonden in 1904 door Wilhelm Heckel (die o.a. bekend is geworden door de Heckel-fagotten). Het instrument lijkt op de baritonhobo maar heeft een wijdere boring. Het riet dat gebruikt wordt is een soort klein fagotriet. Het geluid is wat helderder dan dat van de baritonhobo. Rechts twee afbeeldingen van resp. een baritonhobo en een heckelfoon (niet in verhouding tot de hobo en althobo). |
||||
| Hobo | |
| Ennio Morricone - Theme from "The Mission" - Gabriels oboe | |
| Althobo | |
| Antonín Dvorák - Symphonie nr. 9 - Largo | |
| Oboe d'amore | |
| J.S. Bach - Sonate voor oboe d'amore en klavecimbel | |
| Heckelfoon | |
| Paul Winter - Prayer for the Wild Things |
![]() |
De fagot bestaat uit een houten buis die dubbelgeklapt is. Hierin zit een S-vormige metalen, buis waarop het dubbelriet wordt geplaatst. Het dubbelriet van de fagot is groter dan dat van de hobo. Zoals bij de andere houten blaasinstrumenten, zitten ook in de fagot gaten met daarboven een kleppenmechaniek. De fagot is in de 2e helft van de 17e eeuw ontstaan uit een ander instrument: de dulcian (ook wel curtal genoemd). Links een plaatje van een fagot en een dulcian. | ![]() |
||
| De dulcian was een dubbelrietinstrument dat is
ontstaan in de 16e eeuw. Het instrument werd zowel binnen als buiten gebruikt.
De dulcian had een zachter geluid dan de schalmei
en kon daardoor binnen beter gebruikt worden dan de schalmei. De naam 'dulcian'
komt ook van het Latijnse woord 'dulcis', wat 'zacht' betekent. Dulcians
waren er in verschillende groottes. Een ander soort fagot was de 'Wurstfagott', oftewel de ranket. De Duitse benaming voor het instrument geeft al een beetje aan dat het instrument niet groot was (voor het oog tenminste). Hiernaast een plaatje van een ranket (in werkelijkheid ong. 28 cm hoog). Het lijkt een klein instrument maar in het bredere gedeelte is de buis een aantal keer omgeklapt. Als je de buis helemaal recht zou buigen, dan zou je een behoorlijk instrument krijgen. Ranketten kwamen in verschillende afmetingen voor. |
![]() |
|||
![]() |
Omstreeks de 19e eeuw ontstonden er
2 typen fagotten met elk een eigen kleppensysteem: de buffetfagot (genoemd
naar de Franse bouwer Auger Buffet) en de heckelfagot (naar de Duitse bouwer
J.A. Heckel). Na 1875 zijn er nog slechts kleine veranderingen aangebracht. De contrafagot is het grootste houten blaasinstrument. Vanwege zijn lengte is de buis zo gevouwen dat er voor een deel 3 buizen naast elkaar lopen. Het instrument rust met een pin op de grond. De contrafagot geeft een zeer laag knorrig geluid. Rechtsboven een afbeelding van een contrafagot (niet in verhouding tot de fagot en de dulcian). De eerste contrafagotten waren niet erg geslaagd en al gauw kwamen er instrumenten die de contrafagot moesten vervangen, zoals bijvoorbeeld de rietcontrabas. Een andere variant op de contrafagot is de contrabassofoon, uitgevonden omstreeks 1850 (rechts). Er zijn er niet zoveel van gemaakt. Het instrument lijkt erg op de contrafagot zoals hij er in die tijd uit zag. Het grootste verschil is dat de buis wat wijder is. Een moderne versie van de contrafagot is de contraforte (links). Dit instrument wordt gebouwd door de Duitse firma Guntram Wolf in samenwerking met de firma Eppelsheim (bekend door de tubax). Voor kinderen is de fagot van normale afmetingen vaak te groot en te zwaar. Voor hen is de fagottino ontwikkeld, oftewel de kinderfagot. Fagottino's zijn er in twee maten: de kwartfagot en de kwintfagot. De grepen zijn hetzelfde als die van de normale fagot, maar doordat de instrumenten kleiner zijn, klinken ze hoger. Voor deze instrumenten wordt vaak de Engelse of Duitse benamingen gebruikt (Quartfagott / quart-bassoon en Quintfagott / quint-bassoon). Daarnaast komt ook de term tenoroon voor: een combinatie van "tenor" en "bassoon". De tenoroon is een instrument dat ontwikkeld is uit de dulcian. Het kwam in verschillende afmetingen voor, waarvan er tegenwoordig nog twee zijn overgebleven, bekend als de kwart- en kwintfagot. |
![]() |
| Fagot | |
| Antonio Vivaldi - Fagotconcert in C - Larghetto |
| Contrafagot | |
| Daniel Dorff - In a Deep Funk, Dance Set for unaccompanied contrabassoon - Funk Scherzo (fragment) |
| De sarrusofoon is niet zo'n
bekend instrument. Sarrusofoons zijn koperinstrumenten met een dubbelriet.
Ze werden omstreeks 1850 ontworpen door Sarrus en gebouwd door de Parijse
instrumentbouwer Gautrot, voor gebruik bij militaire orkesten. De sarrusofoon
is ontwikkeld in een periode dat er grote behoefte was aan lage instrumenten
waarmee gemakkelijk gemarcheerd kon worden. Men was met name op zoek naar
een vervanger voor de fagot die in militaire orkesten niet goed bruikbaar
was. In die tijd was er veel concurrentie tussen de instrumentbouwers onderling en dat leverde nogal wat rechtszaken op m.b.t patenten. Over en weer werden beschuldigingen geuit van het stelen van ideeën en het vervolgens op de markt brengen onder een naam die maar weinig verschilde van het oorspronkelijke instrument. Gautrot zag het succes dat Adolphe Sax met zijn saxofoons had en bouwde de sarrusofoons (met als gevolg weer een rechtszaak tussen Sax en Gautrot, die laatstgenoemde won). De sarussofoons leken veel op de saxofoons maar ze hadden een totaal ander geluid. Hieronder een tekening van een sopraan-sarrusofoon en rechts een foto van contrabas-sarrusofoon. Bij de contrabas-sarrusofoon zit er nog een S-vormige buis in het instrument waar het dubbelriet op zit (net als bij de fagot). Deze buis is op de afbeelding weggelaten. De sopraan- en contrabas-sarrusofoon hebben een toonbereik dat hetzelfde is als van resp. de hobo en de contrafagot. Een variant op de sarrusofoon is de rothphone, ontworpen door Ferdinando Roth. De enige vernieuwing zat 'm in de naam: de rothphone was niets anders dan een sarrusofoon in de vorm van een saxofoon. De rotphone wordt ook wel saxorusophone genoemd. Deze benaming geeft ook al een beetje aan dat het instrument een combinatie van een sarrusofoon en een saxofoon was. Hieronder een geluidsfragment van een contrabas-sarrusofoon met op de achtergrond vier basfluiten. |
![]() |
| Contrabas-sarrusofoon | |
| Charles Mingus - Goodbye Pork Pie Hat |